Het waarom en het hoe van netwerkleren

2012 Mar 14

door Peter B. Sloep

Het leren zoals wij dat nu in onze onderwijsinstellingen praktiseren gaat terug op de tijd van de industriële revolutie. Toen ontstond er behoefte aan grote aantallen werkers die het machinepark dat in die tijd ontstond kon bedienen, bouwen en onderhouden. De tot dan toe gebruikelijke opleidingsvormen voor handwerkslieden, meesters met kleine aantallen gezellen, waren niet genoeg schaalbaar om in de benodigde grote aantallen te voorzien. Vormen van onderwijs die aan 'broadcasting' doen, waarbij een uniforme boodschap aan een qua begingedrag homogene groep leerlingen wordt uitgezonden, waren wel schaalbaar. Dat leidt als vanzelf tot een situatie waarin onderwijs gelijk staat met kennisoverdracht, docent en leerling functies (en geen rollen) zijn, er aan de poort geselecteerd wordt, getoetst wordt of de eindtermen gehaald zijn. Uiteraard is er op allerlei manieren aan dit broadcasting-model gesleuteld waardoor de scherpe kantjes van leren als alleen maar kennisoverdracht eraf zijn gehaald. Maar ons initiële onderwijs kenmerkt zich nog steeds door zijn formele karakter. We werken met klassen of collegezalen, met docenten en studenten die worden betaald om 'contacturen' te maken, met ingangseisen en gestandaardiseerde curricula, met uniforme exameneisen. De vraag is of deze vorm van onderwijs de tand des tijds zal kunnen doorstaan. Want de tijden zijn veranderd.

De industriële revolutie kenmerkte zich door massaproductie. De productiviteit van arbeiders ging omhoog en de prijzen van producten gingen omlaag doordat productieprocessen gemechaniseerd werden. Recentelijk is daar ook nog de automatisering van productieprocessen bijgekomen, hetgeen tot een verdere verhoging van de productiviteit en verlaging van de prijzen heeft geleid. Aan die trend is in de westerse wereld een eind gekomen. Althans, de grootste kostenverlaging kan daar nu niet verder behaald worden door mechanisering en automatisering maar door outsourcing van de productie naar landen waar arbeiders goedkoper zijn. Massaproductie is daardoor verhuisd naar niet-westerse landen. Maar nieuwe producten en nieuwe vormen van produceren worden nog wel bedacht. Auto's waren vroeger opgebouwd uit vooral mechanische componenten, maar nu heeft de elektronica zijn intrede gedaan; mechanische carburateurs zijn vervangen door computergestuurde branstofinspuitingsystemen. Bemesting van akkerland wordt nu door computers gestuurd, waarbij de afgifte door GPSystemen op de exacte locatie wordt afgestemd. Nieuwe producten worden dus nog steeds uitgevonden. Het is zelfs een economische noodzaak dat dat gebeurt, omdat er aan massaproductie geen geld meer te verdienen is. Die producten hebben gemeen dat ze kennisintensief zijn. Dat wil zeggen dat interdisciplinaire teams van hoogopgeleide werkers nodig zijn om dit soort producten te bedenken, ontwerpen en ontwikkelen. De westerse wereld is een kennismaatschappij geworden (en voor zover ze dat nog niet is, zal ze dat snel moeten).

Kunnen de huidige onderwijsmodellen de kenniswerkers die we zo hard nodig hebben opleiden? Er zijn een paar redenen waarom ik denk dat dat niet het geval is. Een kennismaatschappij vraagt dat we blijvend innoveren. Dat houdt dus in dat we ook blijvend moeten leren, ons leven lang liefst. Maar ons onderwijs gaat er in zijn organisatie nog steeds van uit dat iemand na zijn 25e is uitgeleerd. Weliswaar denken hogescholen en universiteiten hard na over levenslang leren, maar ze zijn geneigd daarvoor de besproken broadcastingmodellen te gebruiken. Dat kan je overigens niet alleen hun verwijten, ons hele onderwijssysteem inclusief de regelgeving is daarop afgestemd. Maar broadcastingmodellen zijn zeker voor de gevorderde kenniswerker niet geschikt omdat zij inhoudelijk specifieke, misschien wel unieke instroomprofielen en uitstroomeisen hebben; omdat ze zich studiegewoonten hebben aangemeten die niet noodzakelijk overeenkomen met de werkvormen die de docent hanteert; omdat zij zich door de noodzaak studie, werk en gezin te combineren niet naar de logistieke eisen van de onderwijsinstelling kunnen voegen - college op dinsdagavond, in een klasje, examen over 6 maanden. Kortom, er is behoefte aan onderwijsconcepten die in ten minste de drie genoemde opzichten flexibeler zijn dan de huidige.

De tweede reden waarom ons huidige onderwijs ongeschikt is om mensen op te leiden tot kenniswerkers is dat het de voor innovatief denken benodigde creativiteit doodt. Als je onderwijs ziet als kennisoverdracht dan brengt dat de noodzaak met zich mee te controleren of die kennis inderdaad is overgedragen zoals bedoeld. Zo ontstaat er een cultuur van kennistoetsen, waarin fouten bestraft worden en getrouwe reproductie van het geleerde beloond wordt. Maar innovatie begint bij creatief denken en dat kan niet zonder fouten te maken. Fouten zijn dan alleen ideeën die bij nader inzien misschien toch niet zo goed zijn. Maar zulke ideeën zijn nodig op de weg naar ideeën die het wel redden. Er is niets zo slecht voor creativiteit en innovatie als een cultuur die het afwijken van de regels bestraft.

En dat brengt me bij de derde reden. Waar conformiteit beloond wordt en creativiteit bestraft, sneuvelt initiatiefrijk gedrag. Waar kennistransmissie de boventoon voert, nemen leerlingen de afwachtende houding van ontvangers aan. Zij zullen niet op zoek gaan naar kennis om hun nieuwsgierigheid te stillen, ze zullen wachten tot hen gevoerd wordt wat ze geacht worden te weten. Dat is op zich al slecht, zie het vorige punt, maar erger is misschien nog wel dat deze afwachtende houding hen in het geheel niet voorbereidt op een bestaan als levenslang lerende. Kenniswerkers moeten voor hun eigen ontwikkeling zorgen, moeten zelf op zoek gaan naar relevante kennis en zich verder bekwamen. Omdat scholen hen daar maar in beperkte mate bij kunnen helpen, zullen zij over de vaardigheid moeten beschikken om hun eigen leeragenda op te stellen en hun eigen leerproces te begeleiden. Daarop bereidt het initieel onderwijs ze nauwelijks voor.

Hoe kunnen we dan wel in de leerbehoeften van de kennismaatschappij voorzien? Het is een bekend didactisch adagium dat onderwijs moet aansluiten bij de belevingswereld van de lerenden. Het huidige onderwijs onderhoudt een moeizame verhouding met de verworvenheden van het internet. Dat geldt voor het web 1.0, het informatieweb, omdat daar het concept van geautoriseerde kennis wordt vervangen door dat van de wisdom of the crowds. Maar dat geldt zeker voor het sociale web, web 2.0, waarin kennissen een belangrijkere rol spelen dan kennis. Persberichten over mobiele telefoons die uit moeten bij het betreden van de school, van instant messaging clients die geweerd worden van schoolcomputers spreken voor zich. Maar dit sociale web is een dagelijkse realiteit voor de meeste Nederlanders, jongeren en ouderen. De tijd ligt niet ver meer in het verschiet waarin het internet een nutsvoorziening is geworden, de toegang waartoe de overheid moet garanderen. Lopende pogingen om Internettoegang tot een mensenrecht te bestempelen, spreken voor zich. Het onderwijs kan deze nieuwe werkelijkheid dus niet negeren. Maar sterker nog, het onderwijs kan groot profijt hebben van het global village dat het internet is en de lage transactiekosten die het biedt voor het ontmoeten van anderen en het vergaren van informatie. Om dat te doen, zal het echter radicaal moeten breken met het onderwijs zoals we dat nu kennen. Het concept van netwerk leren - leren met behulp van online sociale netwerken - doet dat. Details daargelaten, gaat het hier om het ontwerpen van leeromgevingen waarin leren sociaal en op maat is en een belangrijke zelfsturingcomponent kent. Netwerk leren is vooral geschikt voor kenniswerkers, die zich verder moeten ontwikkelen, maar houdt ook belangrijke lessen in voor de inrichting van onderwijs aan kenniswerkers in opleiding die initieel onderwijs doorlopen. Netwerk leren kan niet bogen op een 150 jarige historie, de zoektocht naar de vormgeving ervan is net begonnen. Bovendien weet niemand hoe het internet en de wereld van de sociale media zich gaat ontwikkelen de komende 10 jaar. Ook in dat opzicht is netwerk leren een project in ontwikkeling. Maar wel een project dat noodzakelijk is als we de kennismaatschappij serieus nemen. Ik durf de stelling aan dat onze welvaart, het economisch welbevinden van het succes ervan afhangt, niets meer en niets minder. 

 

 

Dr. Peter B. Sloep is Professor in Technology Enhanced Learning bij het Centre for Learning Sciences & Technologies (CELSTEC) van de Open Universiteit. Hij leidt daar een Onderzoek- en ontwikkelprogramma naar Leernetwerken. Het onderzoek richt zich vooral op leren en professionele ontwikkeling in genetwerkte, online omgevingen. Ter ondersteuning van het leren in zulke omgevingen produceert het programma theorieën en inzichten maar ook instrumenten en richtlijnen.

 

Reacties

Reageer op dit artikel:

The content of this field is kept private and will not be shown publicly.